Tijd voor een nieuwe benchmark

Meten is weten! Want als we niet meten, hoe kunnen we dan onze doelstellingen behalen? We willen tenslotte weten of we vorderingen maken. Nietwaar?

Maar weten we inderdaad meer als we alles gaan meten?

Sanne Blauw schreef onlangs een alleraardigst boek over hoe cijfers ons vaak beïnvloeden en manipuleren. Haar boek kreeg dan ook de zeer toepasselijke titel: Het bestverkochte boek ooit (met deze titel).

Wat meet het bbp nu eigenlijk?

Een van de voorbeelden die Sanne in haar boek noemt, is het bruto binnenlands product (bbp). Dit concept werd tijdens de depressie bedacht door Simon Kuznets. De Amerikanen wilden eindelijk eens zien hoe de economische vlag ervoor stond. Met zijn data kon Kuznets in 1934 aantonen dat het nationale inkomen tussen 1929 en 1932 was gehalveerd. Hij deed dit door simpelweg de inkomsten van de huishoudens en het bedrijfsleven op te tellen.

En ziedaar het bbp was geboren.

Kuznets zag zijn cijfer als een schatting van het economische welzijn. Hij verlaagde zijn bbp-cijfer dan ook met kosten die afbreuk deden aan dat welzijn. Een van de belangrijkste aftrekposten waren de overheidsuitgaven voor wapens.

Maar economisch welzijn bleek al snel een begrip te zijn in tijden van vrede.

Want toen de Tweede Wereldoorlog begon, wilde de Amerikaanse overheid fors investeren in wapens. Maar die investeringen zouden resulteren in een verlaging van het nationale inkomen. En dat kon ten koste gaan van de publieke steun voor de oorlog.

Dus telden de Amerikanen in het vervolg alle overheidsuitgaven bij het nationale inkomen op.

Maar zo’n abstract cijfer als het bnp heeft natuurlijk nog steeds grote beperkingen. Het meet alleen wat we belangrijk vinden. Maar het meet geen zaken die we niet in geld kunnen uitdrukken. Om Sanne Blauw maar eens te citeren:

“Zo is vervuilende industrie goed voor het bbp, maar slecht voor het milieu. Een minder veilige samenleving betekent economische groei als mensen extra sloten op hun deuren gaan zetten of beveiligings- camera’s kopen. En wat dacht je van alle zaken die niet in het bbp worden meegenomen? Nederlanders besteden wekelijks 22 uur aan zorgtaken, zoals schoonmaken, op kinderen passen en mantelzorg verlenen. Daar zie je niets van terug in het bbp. Het kromme is: als we iemand hadden betaald om het voor ons te doen, dan was het wél in het bbp terechtgekomen.”

Maar iedereen accepteert intussen het bbp als de graadmeter van de economie. En o wee als het bbp daalt. Dan zijn de gevolgen groot: bezuinigingen, hogere belastingen en ontslagen.

Politici en economen vergeten dan dat het bbp door iemand bedacht is en zeker geen natuurwet is. De economie is te complex om samen te vatten in een enkel getal. En alle conclusies die we verbinden aan dat getal zijn per definitie twijfelachtig. We moeten ons blijven realiseren dat het bbp veel belangrijke zaken voor ons verbergt.

Waarom we buiten ons vakgebied moeten lezen

Beleggers maken ook gebruik van cijfertjes. Eén daarvan is de benchmark. Dat is het cijfertje waartegen we jaarlijks ons rendement meten. Als we slechter presteren dan de benchmark zijn we ontevreden. Net zo goed presteren als de benchmark, vinden we niet bijzonder. En beter presteren dan de benchmark is lastig. Maar dat is ons doel.

Wij verwachten dat de beleggingsspecialisten de kennis in huis hebben om de benchmark te verslaan. Anders kunnen we het net zo goed zelf doen, nietwaar? Maar daar ligt nu net het probleem.

Succesvol beleggen hangt niet af van wat we weten. Het hangt juist af van wat we doen.

Succesvolle beleggers begrijpen dat. Zij lezen echt niet alleen maar boekjes, artikelen en ‘wetenschappelijke’ studies over beleggen. Zij oriënteren zich breder en zijn op de hoogte van de belangrijkste lessen van andere disciplines: psychologie, sociologie, geschiedenis en politiek.

Natuurlijk zijn dit allemaal op zichzelf staande wetenschappen. Maar ze hebben een gemene deler: zij bestuderen allemaal op een of andere manier het gedrag van mensen.

Sanne’s boek inspireerde mij om eens onder de motorkap van de benchmark te kijken.

Bestaat er zoiets als de gemiddelde belegger?

Een benchmark is belangrijk. Want we willen ons rendement toch ergens aan meten? Maar, alle benchmarks hebben een grote tekortkoming. En blijkbaar valt niemand dat op. Het rendement van de benchmark moet overeenkomen met het rendement van de gemiddelde belegger.

Maar dat is helemaal niet zo. De gemiddelde belegger, actief of passief, komt niet in de buurt van het rendement van de benchmark.

Het meest voorkomende salaris in Nederland is gebaseerd op echte inkomsten. De meeste mensen in ons land verdienen dat ook echt. Maar het rendement van de benchmark is hypothetisch. Bijna niemand is in staat om dat rendement te halen. Ook passieve beleggers niet.

Een belegger die het rendement van de benchmark wil verdienen moet jaren aan een stuk beleggen in een indexfonds. Hij of zij moet ook trouw het dividend herinvesteren, geen geld onttrekken aan de portefeuille en geen stuiver betalen voor advies.

Maar belangrijker nog: deze belegger mag niet in paniek te raken tijdens beurscorrecties en crashes.

En hoeveel beleggers gedragen zich uiteindelijk op die manier? Een paar. Maar niet de gemiddelde belegger.

Wat is wel een geschikte benchmark?

Het Vanguard 500 indexfonds is een goed voorbeeld van een verhandelbare benchmark met zeer lage kosten. Beleggers kunnen met dit fonds ‘eenvoudig’ het rendement van de Amerikaanse S&P 500 index nabootsen.

Gedurende de afgelopen tien jaar behaalde de Vanguard 500 een jaarlijks rendement van 11,83%. En de gemiddelde belegger? Die moest het doen met een jaarlijks rendement van slechts 9,23%1. Hoe kan dat? Dat verschil is te verklaren door emoties. Veel beleggers kopen als het goed gaat op de beurs en verkopen als de beurs daalt.

Stel u verkoopt uw aandelen Vanguard 500 op 7 november 2016. U haat Trump. En u hoort van iedereen dat de beurs zal instorten als hij president wordt. Wat blijkt? Trump wordt de volgende dag gekozen en de beurs…stijgt! Exact drie maanden later acht u de kust weer veilig. U stapt weer in.

Het resultaat is dat u drie maanden rendement heeft gemist (7,6%), die u nooit meer kunt inlopen.

Dus laat ik u de volgende vraag stellen: Wat is de meest geschikte benchmark? Het hypothetische rendement dat een belegger had kunnen verdienen in de Vanguard 500? Of het rendement dat de gemiddelde belegger heeft gerealiseerd?

Ik zeg het laatste.

Wanneer bent u een succesvolle belegger?

Laten we eens bij het Vanguard 500 voorbeeld blijven. Beleggers schamen zich bijna als ze het afgelopen decennium niet minimaal 11,83% per jaar hebben verdiend. Maar in de praktijk blijken ze bovengemiddeld te zijn als ze meer dan 9,23% per jaar hebben verdiend.

De obsessie met de benchmark betekent dat we net doen alsof de emotionele kant van beleggen niet bestaat. Want die wordt niet meegenomen in de benchmark. Maar we doen er goed aan om wel degelijk rekening te houden met emoties. Iedereen heeft emoties. En niemand kan ze uitschakelen. Hooguit in toom houden.

Hoe worden we dan betere beleggers? Door ons iedere keer als we een beleggingsbeslissing nemen af te vragen: “Helpt deze beslissing mij om een beter langetermijnrendement te halen.” En niet door onszelf af te vragen: “Helpt deze beslissing mij om de benchmark te verslaan?”

De fondshuizen en de vermogensbeheerders hebben een belangrijke taak in dit proces. Wij kunnen onze cliënten uitleggen hoe dat beleggen werkt. En hoe onze strategie daar in past. Wij zijn verantwoordelijk voor het schetsen van een realistisch verwachtingspatroon. En, last but not least, wij kunnen de onvermijdelijke correcties in perspectief plaatsen.

Pas dan helpen we onze cliënten om een beter rendement te behalen.

 


1: Morningstar per 31 oktober 2018

Blijf op de hoogte

Schrijf u in, dan ontvangt u onze updates vanzelf per e-mail.
Volgende artikel ›

Beursgenoteerd beleggen met impact. Hoe doe je dat?

Wire Group legt dit uit in haar paper ‘Impact investeren in beursgenoteerde aandelen’. Met handvatten en inzicht in welke concrete beleggingsmogelijkheden er al zijn.