Beleggersjargon, bullshit & betekenis
Als iemand je vraagt welke aandelen je koopt, is er maar één correct antwoord: degenen die harder stijgen dan de rest. Anders gaat er iets mis.
Maar dat zeggen we meestal niet. We beginnen over ‘goedkope’ aandelen, of ‘groeiaandelen’, ‘kwaliteitsbedrijven’, ‘beleggen in kansrijke sectoren’ en nog veel meer van dat soort praatjes. Vrij vertaald: ik koop een groepje waarvan ik denk dat het de komende tijd harder omhoog gaat dan de rest.
Maar wat betekent dat nou eigenlijk? Blijft dat volgend jaar ook nog werken? Tja.
Goed, dát jargon lijkt tenminste nog ergens op. Het kan veel erger. Je zal maar op vakantie zijn met je financieel geletterde wederhelft. Kantoor had beloofd niet te bellen, maar het gebeurt toch. Daar gaan ze weer: ‘Ebitda, basispunten, free cash flow, value, growth, quality companies, alfa beta theta gamma, conviction, correctie, tijdelijke tegenwind en de S&P 500.’
Zucht. Je knikt en vraagt of ze nog een slokje uit de thermoskan willen, want schat, we zijn op vakantie. Maar ondertussen denk je: wat zouden ze nou bedoelen? Helaas is dat niet de juiste vraag. De goede vraag is: bedoelen ze nou eigenlijk wel wat ze denken dat ze bedoelen?
Termen als vrije kasstroom en basispunten hebben op zich nog wel een anker in de realiteit of in de wiskunde. Maar ‘goedkoop’? En eh, is die S&P 500 van 2015 eigenlijk wel te vergelijken met die van vandaag? Waarom zou je de prestaties van je fonds dan eigenlijk willen vergelijken met een index die net zoveel verandert als die rivier waar je nooit twee keer in kunt stappen?
Vandaag gaan we even zwemmen in de semantiek. We snorkelen deftig langs bullshit en betekenis. Van ebitda naar goedkope aandelen, van momentum naar datgene waar het allemaal om draait: rendement.
Oh ja, en Reinder was jarig. 35 jaar jong, nu al zo’n wijsneus. Gefeliciteerd met onze kemphaan, en veel luisterplezier!