De DGA met leningen van totaal meer dan € 500.000 is zwaar de klos

Eén dag na Prinsjesdag (woensdag 19 september 2018) werd door het kabinet een verrassende maatregel voor de directeur-grootaandeelhouder (DGA) aangekondigd. Een maatregel met veel impact. Niet eerder ter sprake gebracht, maar ‘zomaar’ in de aanbiedingsbrief bij de belastingplannen gezet.

Wat houdt de maatregel in?

De ingrijpende maatregel houdt in dat schulden van de DGA bij zijn BV die uitgaan boven € 500.000 als dividend worden belast. Niet direct hoor! De DGA heeft drie jaar de tijd om van zijn schulden af te komen. Als de DGA op 1 januari 2022 meer dan € 500.000, bij zijn BV, aan schulden heeft, wordt het meerdere belast. Als dividend, tegen het dan van toepassing zijnde aanmerkelijk-belangtarief van 26,9%.

Gaat het om alle leningen? En voor alle DGA’s?

De maatregel geldt in beginsel voor álle schulden tussen de DGA en zijn B.V. Dus bijvoorbeeld om leningen aan de DGA voor de aankoop of verbetering van de eigen woning, leningen voor de aankoop van effecten, leningen waarmee private equity is gekocht en voor de leningen voor aankoop van een ab-pakket. En uiteraard om de ‘echte’ rekening-courantkredieten. De hele rits van leningen tussen aandeelhouder en B.V. wordt door de maatregel gevangen!
Het goede nieuws? Voor bestaande eigenwoningschulden is toegezegd om een overgangsmaatregel te treffen.

De maatregel gaat gelden voor iedere DGA en zijn BV. Ongeacht de omvang van het vermogen van de vennootschap. De € 500.000-grens is daarbij hard. Terwijl ook veel te zeggen is om aan te sluiten bij een percentage van het vermogen van de vennootschap.

Een paar weken verder…

Het kabinet wil dat Nederland een aantrekkelijk vestigingsklimaat heeft. Daartoe behoorde ook het voorstel tot afschaffing van de dividendbelasting. Eergisteren (maandag 15 oktober) werd duidelijk dat deze belasting definitief blijft bestaan. Men probeert het vestigingsklimaat nu op een andere wijze te verbeteren: door de verlaging van het (lage én het hoge) tarief in de vennootschapsbelasting en door verlaging van de werkgeverslasten. Dit is allemaal te lezen in de eveneens eergisteren gepubliceerde Kamerbrief. In deze brief is ook een verzachting van de hierboven beschreven maatregel neergelegd.

Ik versta persoonlijk iets anders onder ‘verzachting’

In de Kamerbrief staat dat niet alleen bestaande eigen woningschulden, maar ook alle toekomstige eigen woningschulden door de € 500.000-regel niet geraakt zullen worden.
Dat lijkt goed nieuws. Maar wordt er nu echt iets gegeven? Nee! Het is namelijk helemaal niet aannemelijk dat er nog nieuwe leningen zullen worden aangegaan. Ik kan dit ook aantonen door een eenvoudige rekensom.

Vanaf 2022 kan de leenrente voor de eigen woning nog maar tegen een tarief van 40% worden afgetrokken. Eén jaar later, vanaf 2023, wordt dit percentage 37,05%.
De door de DGA aan de BV betaalde rente wordt bij de vennootschap belast met 15% (of 20,5%).
Dit zijn de sinds afgelopen maandag voorgestelde tarieven (dus wederom een verdere verlaging van het VPB-tarief). Als de netto-rente aan de DGA wordt uitgekeerd, volgt de aanmerkelijkbelangheffing van 26,9%. Cumulatief is het belastingpercentage daarmee 37,87%, resp. 41,89%.
Het belastingpercentage BV/privé is daarmee hoger dan het percentage van de aftrek door de DGA. Er zullen dus helemaal geen leningen bijkomen. In tegendeel. De DGA doet er daardoor goed aan dat hij in 2023 van zijn BV-lening af is.

Persoonlijk verwachtte ik dat er een andere verzachting (of beter gezegd een nuancering) in de maatregel was aangebracht. Namelijk de vastlegging dat de maatregel alleen échte rekening-courantschulden treft. En expliciet zou worden vastgelegd, dat de maatregel niet de leningen treft waar in de inkomstenbelasting belastbare bezittingen tegenover staan.

Bij handhaving van de maatregel in de huidige vorm, is de financiële uitkomst ook best een bijzondere. Aan de ene kant tellen de “meer dan € 500.000-leningen”, hoe zakelijk dan ook, niet mee. Aan de andere kant blijven – en dan alleen voor de DGA! –  de tegenover die leningen staande (inkomsten uit de) bezittingen wél in de belastingheffing betrokken. En daar blijft het dan ook niet bij: voor de DGA wordt het bedrag dat boven de € 500.000 ligt als dividend belast!

Er is hoop!

Het is gelukkig nog maar een plan! Het wetsvoorstel zal naar verwachting begin 2019 beschikbaar zijn. De maatregel wordt tussen nu en dan door het kabinet nader uitgewerkt. Bovendien komt er nog een internetconsultatie. Hierbij kunnen burgers, bedrijven en maatschappelijke organisaties kennisnemen van de wetsvoorstellen en suggesties tot verbetering kenbaar maken. Hopelijk wordt met de geleverde input duidelijk dat er een groot verschil is tussen een consumptieve lening én een lening waar tegenover een vermogensbestanddeel staat. In die lijn mag je dan ook verwachten dat er aan de maatregel wordt gesleuteld en niet langer alle leningen over één kam worden geschoren. Dit, zodat de DGA niet gedwongen wordt om zijn leningen te herfinanieren bij een externe geldgever. Dit laatste zal dan gepaard gaan met een verhoging van de leenlasten.

Moet de DGA nu actie ondernemen?

De DGA die geld leent van zijn BV heeft over de voorwaarden en condities van die lening uiteraard afspraken gemaakt. Hij zal deze ook hebben vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst. Het is uiteraard wenselijk om de afspraken van de overeenkomst ook na te leven.

Ten aanzien van de voorgestelde maatregel kan de DGA nog weinig anders doen dan rustig afwachten. Maar vooral moet hij wensen. Wensen dat de maatregel in de papierversnipperaar belandt!

Blijf op de hoogte

Schrijf u in, dan ontvangt u onze updates vanzelf per e-mail.
Volgende artikel ›

Kwartaalverslag Q3 2018